Reünie

In verband met een op handen zijnde familiereünie kwam bij mijn moeder het afgelopen weekend het spreekwoordelijke vergeten kistje met foto’s ineens boven water. Leuk! Samen met zuslief op de bank bladerde ik onder het regelmatig roepen van ‘Ach!’, ‘Goh’ en ‘Och’ door de beeltenissen heen. Een voor een op celluloid gestolde stukjes particuliere geschiedenis.

 

Pas als we terugkijken, dringt het echt tot ons door hoe snel de tijd is voortgeschreden. Wat jaren in beslag leek te nemen, is dan in een flits voorbij. Veel van die momenten, waar ik zelf het kiekonderwerp ben, zijn volledig verdwenen in ondoordringbare geheugenlagen. Andere staan mij nog haarscherp voor de geest. Vanzelfsprekend zaten er in het kistje ook diverse tafereeltjes die dateren uit de tijd dat ik nog onderweg was naar dit leven. Het niet-ik tijdperk.

 

Sommige foto’s worden bevolkt door mensen die niet meer onder ons zijn. Ze lachen, kijken bezorgd of zijn met hun gedachten elders. Ondanks het statische beeld leven ze. Míjn gedachten dwalen af bij een foto uit juli 1964. Mijn vader en moeder lopen in de richting van de fotograaf. Aan ieders rechterkant loopt een dochter, mijn beide zusters dus, met hun onveranderlijk kortgeknipte rattenkoppie. Ik besta dan al bijna drie maanden, maar maak nog geen deel uit van dit gefixeerde gezinstafereel. Waarschijnlijk lig ik thuis in een wieg naar het plafond te staren, mij nog steeds afvragend waar ik nu toch in godsnaam terecht ben gekomen.

 

Het gezin komt net uit de drukbezochte kerk. Het plein voor de kerk staat vol met auto’s en de uittocht is net aangevangen. Ze dragen keurige zondagse kleding. Mijn oudste zuster, hier zeven jaar, draagt een wit jurkje, witte handschoentjes en een wit damestasje om haar rechterarm. Een toonbeeld van reinheid. Mijn jongere zus, vier jaar oud ten tijde van de foto heeft ook een wit jurkje aan en een soort van stropdasje. Op haar linkerknie zit een pleister en ze krabt aan haar rechteroor. Mijn moeder, een mooie, slanke deerne in een bloemige zomerjurk, kijkt in de camera met de zelfbewuste blik van een intelligente vrouw die zich niet de kaas van het brood laat eten.

 

Het langst blijft mijn blik hangen bij de beeltenis van mijn vader. Bovenop diens magere gestalte prijkt de nog zwarte krullenkop. Met zijn onafscheidelijke sigaret in de linkerhand bekijkt hij de fotograaf met een ronduit argwanende blik. Verbeten perst hij de lippen op elkaar en het is alsof hij ieder moment kan uitroepen “Zeg, jij daar met die camera! Wat moet dat?!” Niemand lacht op de foto, maar mijn vader heeft er zichtbaar toch wel het meest de pest in.

 

Toch ligt er een sfeer van harmonie over de foto. Een jong gezin, dat na de zondagse kerkplicht, een stralende zomerdag tegemoet loopt en naar huis gaat waar de jongste telg op hen wacht. Het jongetje, de zoon, waar mijn vader zo op had gehoopt en uiteindelijk heeft gekregen. Je zou zeggen, dat hij dan wel iets vrolijker had kunnen kijken.

 

Deze maand, op 13 maart, gedenk ik zijn negentiende sterfdag.

 

Ed Lute

Write a comment

Comments: 0